Doorgaan naar hoofdcontent

Recensie in De uil van Minerva

Het is jammer dat Thierry Baudet de 'Uil van Minerva' heeft misbruikt voor zijn overwinningsspeech uit 2019. Het begrip heeft daardoor een bijklank gekregen die - op zijn zachtst gezegd - niet als positief kan worden gekwalificeerd. In de Griekse mythologie vergezelt deze vogel Pallas Athena, de godin van de wijsheid en was daarmee een symbool voor kennis en wijsheid. De Uil van Minerva is ook een Nederlandstalig tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur, uitgegeven onder auspiciën van de Universiteit van Gent. In de vierde editie van jaargang 32 staat een zeer uitgebreide, onderbouwde en op onderdelen behoorlijk kritische recensie van milieuwetenschapper Stijn Neuteleers over  mijn De Klimaatparadox


De Klimaatparadox
Het thema van de bevolkingsgroei speelt een vreemde rol in het milieudebat. Enerzijds rust er een zeker taboe op: er is geen echt debat over dit thema binnen milieukringen. Dit is voor van Druenen het startpunt van zijn analyse en tegelijk ook de meerwaarde van zijn essay: hierover het debat aangaan. Anderzijds hoor ik milieuactivisten vaak iets zeggen zoals: ‘waar we het eigenlijk eens over moeten hebben, maar niet over kunnen spreken, is overbevolking.’ De reden waarom ze er niet ‘over kunnen spreken’ is dat velen vastzitten in een malthusiaans denkkader. De enige oplossingen die men kan bedenken zijn bijgevolg veeleer controversieel, zoals het stopzetten van nood- en ontwikkelingshulp of een autoritaire geboortepolitiek. In zijn essay slaagt van Druenen er helaas niet in om dat denkkader te overstijgen en levert daardoor weinig nieuwe inzichten op over de bevolkingsproblematiek.

Van Druenens essay bestaat grofweg uit twee grote delen. In het eerste deel kijkt hij naar twee klassieke werken waar de relatie tussen bevolking en milieu centraal staat. In het tweede deel formuleert hij een eigen opinie. Het eerste werk dat hij uitgebreid bespreekt (19-48) is The Limits to Growth van de Club van Rome (1972). Nieuw onderzoek toont aan dat veel van de voorspellingen van het rapport zijn uitgekomen, zoals sterke uitputting natuurlijke hulpbronnen, milieuvervuiling en groei wereldbevolking. Vervolgens wijst hij terecht op een verschil tussen het rapport, en bij uitbreiding het debat in de jaren ’70, en de huidige discussie, namelijk dat bevolkingsgroei als thema helemaal naar de achtergrond is verdwenen. Dit is volgens van Druenen een gevaarlijke evolutie omdat de wereldbevolking nog steeds sterk toeneemt (49-59). Sinds 1975 groeit de wereldbevolking elke 12 jaar met 1 miljard mensen en als deze lineaire groei verder gaat, zullen er 12 miljard mensen zijn in 2065 – elk jaar komen er 83 miljoen mensen bij. Wat dit betekent voor het leefmilieu, kunnen we volgens de auteur ontdekken door te kijken naar China (60-73). Ondanks de strenge bevolkingspolitiek nam de Chinese bevolking tussen 1980 en 2015 toe met bijna een half miljard. Momenteel is het private autobezit, het internetgebruik en de vleesconsumptie nog relatief laag in China, maar op elk van deze CO2-intensieve domeinen valt de komende jaren een grote groei te verwachten en dus ook enorme stijging van de CO2-uitstoot. Dit Chinese model is volgens de auteur wat de rest van de wereld ook te wachten staat: een groeiende wereldbevolking in combinatie met toenemende welvaart en levensverwachting is volgens hem de hoofdoorzaak van de klimaatcrisis.

Hoewel er momenteel weinig bevolkingsdebat is, is dit niet altijd zo geweest. Het tweede klassieke werk dat van Druenen bespreekt, is het in 1798 gepubliceerde An Essay on the Principle of Population van Thomas Malthus (75-88). Malthus stelde dat een exponentiële bevolkingsgroei botst met een lineaire voedselproductie. Hij schoof daarbij twee oplossingen naar voren: preventieve (geboortecontrole, celibaat, uitstel huwelijksleeftijd) en positieve checks (oorlog, honger, ziekte). Aangezien hij niet zo geloofde in de haalbaarheid van preventieve checks, kende hij een grotere rol toe aan positieve checks. Vandaar ook de typische maar controversiële malthusiaanse beleidsvoorstellen, zoals de hulp aan de armen beperken. Meer voeding voor de armen leidt tot bevolkingsgroei, zonder dat de voedselproductie stijgt, en dus tot meer ellende.

Tot zover niets nieuws onder de zon, maar in het laatste deel (89-112) gaat de auteur op zoek naar een conclusie. Volgens van Druenen rust er een taboe op het bevolkingsthema en de verklaring hiervoor is onze angst voor de dood. Onze angst voor de dood zorgt ervoor dat we een sterke drijfveer tot medemenselijkheid hebben en die medemenselijkheid draagt net bij tot de bevolkingsgroei. Wat staat er ons te doen? Van Druenen schuift twee oplossingsstrategieën naar voren. Ten eerste moeten we ons niet richten op het voorkomen van klimaatverandering (mitigatie), dit is volgens hem toch niet meer mogelijk, maar moeten we onze investeringen eerst en vooral richten op ons voorbereiden op klimaatverandering (adaptatie), bijvoorbeeld door dijken te bouwen. De auteur benoemt dit als de pragmatische piste. Ten tweede moet de bevolkingsgroei onder controle worden gehouden, maar hij zegt weinig over hoe dit moet gebeuren. In zijn epiloog suggereert hij dat een consequente houding zou leiden tot malthusiaanse voorstellen: ‘geen hulp bij humanitaire rampen, niet ingrijpen bij terreur en militaire conflicten elders in de wereld, ruim baan voor euthanasie en zelfdoding’ (112). Van Druenen zegt dat hij zo ver niet wil gaan, maar dat de focus moet liggen op de eerste piste, namelijk investeringen die voorbereiden op klimaatverandering.

Van Druenen schrijft helder, is historisch geïnformeerd en gaat in op een belangrijk thema, maar er zijn ook heel wat fundamentele problemen met zijn essay. Om te beginnen is zijn conclusie op zijn minst opmerkelijk te noemen. Het hele essay gaat over de noodzaak om bevolkingsgroei aan te pakken maar zegt uiteindelijk niets over hoe dit concreet moet gebeuren. Hij lijkt de Malthusiaanse kaart te willen trekken – geen hulp aan mensen in nood – maar voelt blijkbaar zelf dat dit op ethische grenzen stoot en reikt daardoor geen enkele oplossingspiste aan. Zijn andere conclusie – adaptatie prioritair op mitigatie – is een interessante piste maar wordt nergens in het hele essay met data of argumenten onderbouwd. Door zijn voorstel te bestempelen als ‘pragmatisch’ kiest hij dezelfde strategie als veel politieke actoren die pleiten voor meer ‘milieurealisme’ – het klinkt als een framing die lage investeringen in klimaatbeleid moet rechtvaardigen.

Minstens even opmerkelijk is de reeks van lacunes in zijn discussie. Het meest opvallende is dat hij nergens echt ingaat op een centraal idee in de demografische literatuur, namelijk het fenomeen van de demografische transitie: de overgang van hoge sterfte- en geboortecijfers naar lage sterfte- en geboortecijfers. Omdat in de transitie altijd eerst de sterftecijfers dalen en dan pas de geboortecijfers, leidt die transitie tot een sterke bevolkingsgroei. De centrale discussie in het bevolkingsdebat is wanneer, hoe, waarom en hoe snel deze transitie zich op verschillende plaatsen van de wereld zal voltrekken. Op dit moment dalen overal ter wereld de vruchtbaarheidscijfers en is er een vertraging van de bevolkingsgroei, wat weliswaar niet uitsluit dat er nog steeds een zeer grote bevolkingsgroei is. De discussie over de demografisch transitie hangt nauw samen met het nadenken over strategieën om de bevolkingsgroei af te remmen. De meeste literatuur die ik ken schuift dezelfde oplossingspistes naar voren: verhoging van het scholingsniveau (vooral van vrouwen), goede beschikbaarheid anticonceptie en paradoxaal genoeg ook betere gezondheidszorg. Dat laatste zorgt ervoor dat mensen meer vertrouwen krijgen in de overlevingskansen van hun kinderen, wat blijkbaar een voorwaarde is om fertiliteitscijfers te doen dalen. Deze pistes zouden in ieder geval besproken moeten worden vooraleer men de meer controversiële strategieën bepleit.

De auteur suggereert dat er een taboe rust op de bevolkingsdiscussie en dat de verklaring hiervoor te zoeken is in onze angst voor de dood. De hedendaagse mens is ongetwijfeld angstig voor de dood maar er lijken mij nog een aantal andere plausibele verklaringen. Veel mensen hechten bijvoorbeeld veel waarde aan keuzevrijheid met betrekking tot het krijgen van kinderen. Overheidssturing van de kinderwens vinden mensen onwenselijk en hun afkeer hiervan draagt mogelijk bij tot het taboe-achtige karakter. In die zin is het ook opvallend dat de auteur zo uitgebreid ingaat op het voorbeeld van China zonder iets over China’s eenkindpolitiek te zeggen.

Er zijn nog andere centrale thema’s die de auteur onbesproken laat en hem daardoor mogelijk in een malthusiaanse richting drijven. Zo is er misschien wel het centrale thema van de milieubeweging, namelijk het consumptieniveau. De meeste milieuactivisten die ik ken zetten consumptievermindering op één op hun prioriteitenlijst, voor technologie en vervolgens bevolking. Daarnaast blijven ook verdelingsvraagstukken uit het zicht. Mijns inziens zeggen de meeste studies dat er momenteel bijvoorbeeld voldoende voeding beschikbaar is, maar dat honger veeleer een politieke en institutionele kwestie is.

Het is van Druenens verdienste dat hij het debat over bevolkingsgroei wil aangaan, maar de erfenis van Malthus blijkt opnieuw erg zwaar. Het hedendaagse malthusiaanse denken focust daarbij niet op de beperktheid van de voedselproductie – de voedselproductie groeit sinds 1960 nog sterker dan de wereldbevolking – maar op de totale milieu-impact. In het essay vinden we de meeste problemen met het malthusiaans denken terug: focus op aggregatieve eenheden in plaats van op processen en verdeling, controversiële ethische aannames, relatief beperkte aandacht voor consumptieniveau en technologie, en vooral weinig aandacht voor de bevolkingsstrategieën die in de wetenschappelijke literatuur naar voren worden geschoven, zoals het scholingsniveau van vrouwen. Het essay De klimaatparadox formuleert enkele uitdagende stellingen maar ik denk dat mensen die iets willen leren over de wereldbevolkingsproblematiek en de relatie tot milieuproblemen, beter op zoek gaan naar andere bronnen.

Stijn Neuteleers (Louvain-la-Neuve)  
In: De uil van Minerva. . Vol 32 Nr 4 (2019) 




Reacties

Populaire posts van deze blog

Las Michael Moore 'De Klimaatparadox'?

Mijn boek-essay 'De Klimaatparadox' gaat over de klimaatcrisis in relatie tot het onderschatte probleem van een groeiende en consumerende wereldbevolking, het zwaar overschatte belang van windmolens en zonnepanelen, de schande van de biomassa-industrie en de beklemmende greep die het grootkapitaal al jaren heeft heeft op de milieubeweging en haar oplossingsrichtingen. Vanavond bekeek ik de nieuwste documentaire van de Amerikaanse filmmaker en icoon van links, Michael Moore: 'Planet of the Humans'. Na afloop was ik blij, maar ook verbijsterd. Het script voor de film volgt bijna naadloos de verhaallijn van 'De Klimaatparadox'. Uiteraard heeft hij het niet gelezen. Het boekje is niet eens vertaald. Waarom ik dan wel blij was? Simpel: het gaat om de boodschap. Moore heeft een miljoenenpubliek en maakt gehakt van de milieu-industrie. Hij gelooft, net als ik, dat het klimaat zwaar te lijden heeft van de 'human footprint', maar kijkt ook verder dan zijn

Klimaatdebat in de Drvkkery in Middelburg op 2 november 2018

Staat daar nou 'en dergelijke' ? ;-)

De Klimaatparadox in de Week van het Zeeuwse boek